De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
De
Leer en Verbonden
AFDELING 76
Een visioen gegeven aan de profeet Joseph Smith en Sidney Rigdon op 16 februari 1832 te Hiram (Ohio). (History of the Church, 1:245–252.) Als inleiding op dit visioen schreef de profeet: ‘Zodra ik was teruggekeerd van de conferentie in Amherst, hervatte ik de vertaling van de Schriften. Uit verschillende openbaringen die waren ontvangen, bleek dat veel belangrijke punten betreffende het heil van de mens uit de Bijbel waren weggenomen of waren kwijtgeraakt voordat die werd samengesteld. Uit de waarheden die waren overgebleven, leek het vanzelfsprekend dat als God eenieder beloonde overeenkomstig de in het lichaam verrichte werken, de term “hemel”, duidend op de eeuwige woonplaats voor de heiligen, meer dan één koninkrijk moest omvatten. Bijgevolg, (...) zagen ouderling Rigdon en ik bij het vertalen van het evangelie naar Johannes het volgende visioen’. (History of the Church, 1:245.) De profeet ontving dit visioen na het vertalen van Johannes 5:29.
1–4: de Heer is God; 5–10: de verborgenheden van het koninkrijk zullen aan alle getrouwen worden geopenbaard; 11–17: allen zullen tevoorschijn komen in de opstanding der rechtvaardigen of die der onrechtvaardigen; 18–24: de bewoners van vele werelden zijn de voor God gewonnen zonen en dochters door de verzoening van Jezus Christus; 25–29: een engel Gods viel en werd de duivel; 30–49: de zonen des verderfs ondergaan eeuwige verdoemenis; alle anderen worden een zekere mate van heil deelachtig; 50–70: de heerlijkheid en de beloning omschreven van verhoogde wezens in het celestiale koninkrijk; 71–80: omschreven wie het terrestriale koninkrijk zullen beërven; 81–113: toestand uiteengezet van hen die in de telestiale, terrestriale en celestiale heerlijkheid verkeren; 114–119: de getrouwen kunnen de verborgenheden van het koninkrijk Gods zien en begrijpen door de macht van de Heilige Geest.
  1 aHOORT, o gij hemelen, en neig het oor, o aarde, en juicht, gij bewoners daarvan, want de Heer is bGod, en buiten Hem is er cgeen dHeiland.
  2 aGroot is zijn wijsheid, bwonderbaar zijn zijn wegen, en de grootte van zijn werken kan niemand doorgronden.
  3 Zijn aplannen blijven niet onvervuld, noch zijn er die zijn hand kunnen weerhouden.
  4 Van eeuwigheid tot eeuwigheid is Hij adezelfde, en zijn jaren bhouden nooit op.
  5 Want aldus zegt de Heer: Ik, de Heer, ben abarmhartig en genadig jegens hen die Mij bvrezen, en Ik schep er behagen in hen te eren die Mij in gerechtigheid en waarheid cdienen tot het einde.
  6 Groot zal hun loon zijn en eeuwig hun aheerlijkheid.
  7 En hun zal Ik alle averborgenheden bopenbaren, ja, alle verborgen geheimenissen van mijn koninkrijk vanaf de dagen vanouds, en voor toekomende eeuwen zal Ik hun het welbehagen van mijn wil bekendmaken aangaande alle dingen met betrekking tot mijn koninkrijk.
  8 Ja, zelfs de wonderen der eeuwigheid zullen zij kennen, en toekomende dingen zal Ik hun tonen, ja, de dingen van vele geslachten.
  9 En hun awijsheid zal groot zijn en hun bbegrip zal tot aan de hemel reiken; en voor hun aangezicht zal de wijsheid der wijzen ctenietgaan, en het verstand der verstandigen zal op niets uitlopen.
  10 Want Ik zal hen door mijn aGeest bverlichten, en door mijn cmacht zal Ik hun de verborgenheden van mijn wil bekendmaken — ja, de dingen die geen doog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, noch zelfs in het hart van de mens zijn opgekomen.
  11 Wij, Joseph Smith jr. en Sidney Rigdon, die vervuld waren avan de Geest op de zestiende dag van februari in het jaar onzes Heren achttienhonderdtweeëndertig —
  12 door de macht van de aGeest werden onze bogen geopend en werd ons verstand verlicht, zodat wij de dingen Gods konden zien en begrijpen —
  13 ja, die dingen die hebben bestaan vanaf het begin, eer de wereld was, die door de Vader waren verordonneerd door zijn eniggeboren Zoon, die vanaf het abegin aan de boezem des Vaders was;
  14 van wie wij getuigen; en het getuigenis dat wij afleggen, is de volheid van het evangelie van Jezus Christus, die de Zoon is, die wij zagen en met wie wij aspraken in het hemelse bvisioen.
  15 Want bij het verrichten van het avertaalwerk dat de Heer ons had opgedragen, kwamen wij bij het negenentwintigste vers van het vijfde hoofdstuk van Johannes, dat ons als volgt werd gegeven —
  16 sprekend over de opstanding der doden, in verband met hen die de stem van de aZoon des Mensen zullen bhoren:
  17 En zij zullen tevoorschijn komen; wie het agoede gedaan hebben, in de bopstanding der crechtvaardigen; en wie het kwade gedaan hebben, in de opstanding der onrechtvaardigen.
  18 Dit nu wekte onze verwondering op, want het werd ons gegeven door de Geest.
  19 En terwijl wij deze dingen aoverpeinsden, raakte de Heer de ogen van ons verstand aan, en zij werden geopend en de heerlijkheid des Heren omstraalde ons.
  20 En wij aanschouwden de aheerlijkheid van de Zoon, ter brechterhand van de cVader, en ontvingen van zijn volheid;
  21 en zagen de heilige aengelen en hen die bgeheiligd zijn voor zijn troon, die God en het Lam aanbaden, die Hem caanbidden voor eeuwig en altijd.
  22 En nu, na de vele getuigenissen die van Hem zijn gegeven, is dit het agetuigenis, het laatste van alle, dat wij van Hem geven: dat Hij bleeft!
  23 Want wij azagen Hem, ja, ter brechterhand Gods; en wij hoorden de stem getuigen dat Hij de cEniggeborene des Vaders is —
  24 dat door aHem en in Hem en uit Hem de bwerelden worden en werden geschapen, en dat de bewoners daarvan voor God gewonnen czonen en dochters zijn.
  25 En wij zagen ook dit, en getuigen ervan, dat een aengel Gods die gezag bezat in de tegenwoordigheid van God, die opstond tegen de eniggeboren Zoon, die de Vader lief was en die aan de boezem des Vaders was, uit de tegenwoordigheid van God en de Zoon werd neergeworpen,
  26 en Verderf werd genoemd, daar de hemelen hem beweenden — het was aLucifer, een zoon des dageraads.
  27 En wij aanschouwden, en zie, hij is agevallen! Gevallen is hij, ja, een zoon des dageraads!
  28 En terwijl wij nog steeds vervuld waren van de Geest, gebood de Heer ons het visioen op te schrijven; want wij zagen Satan, die oude aslang, ja, de bduivel, die copstond tegen God en trachtte het koninkrijk van onze God en zijn Christus weg te nemen —
  29 daarom voert hij aoorlog tegen de heiligen Gods en omsingelt hen geheel.
  30 En wij zagen een visioen van het lijden van hen met wie hij oorlog voerde en die hij overwon, want aldus kwam de stem des Heren tot ons:
  31 Aldus zegt de Heer aangaande allen die mijn macht kennen, en daarvan deelgenoot zijn gemaakt, en zich door de macht van de duivel hebben laten aoverwinnen, en de waarheid verloochenen en mijn macht trotseren —
  32 het zijn de azonen des bverderfs, van wie Ik zeg dat het voor hen beter was geweest als zij nooit geboren waren;
  33 want het zijn vaten des toorns, gedoemd om in de eeuwigheid de verbolgenheid Gods te ondergaan, met de duivel en zijn engelen;
  34 van wie Ik heb gezegd: Er is geen avergeving in deze wereld, noch in de toekomende wereld —
  35 want zij hebben de Heilige Geest averloochend na die te hebben ontvangen, en zij hebben de eniggeboren Zoon des Vaders verloochend, daar zij wat hen betreft Hem opnieuw hebben bgekruisigd en Hem tot een bespotting hebben gemaakt.
  36 Zij zijn het die zullen heengaan in de apoel van vuur en zwavel, met de duivel en zijn engelen —
  37 en de enigen over wie de tweede adood enige macht zal hebben;
  38 ja, voorwaar, de aenigen die niet zullen worden verlost in de bestemde tijd des Heren, na zijn verbolgenheid te hebben ondergaan,
  39 want alle overigen zullen atevoorschijn worden gebracht door de bopstanding der doden, dankzij de overwinning en de heerlijkheid van het cLam, dat geslacht werd, dat aan de boezem des Vaders was eer de werelden werden gemaakt.
  40 En dit is het aevangelie, de blijde tijdingen, waarvan de stem uit de hemelen tot ons getuigde —
  41 dat Hij in de wereld is gekomen, ja, Jezus, om voor de wereld te worden agekruisigd en de zonden der bwereld te cdragen, en de wereld te dheiligen en van alle ongerechtigheid te ereinigen;
  42 dat door Hem allen abehouden zouden worden die de Vader in zijn macht heeft gegeven en door Hem heeft gemaakt;
  43 die de Vader verheerlijkt, en alle werken van zijn handen redt, behalve die zonen des verderfs die de Zoon verloochenen nadat de Vader Hem heeft geopenbaard.
  44 Daarom redt Hij allen behalve hen — zij zullen heengaan naar een aeeuwigdurende bstraf, die een eindeloze straf is, die een eeuwige straf is, om te regeren met de cduivel en zijn engelen in de eeuwigheid, waar hun dworm niet sterft, en het vuur niet wordt uitgeblust, hetgeen hun kwelling is —
  45 en het aeind daarvan weet niemand, noch de plaats, noch hun kwelling;
  46 evenmin is of wordt het geopenbaard, noch zal het de mens worden geopenbaard, behalve aan hen die daarvan deelgenoot worden gemaakt;
  47 niettemin toon Ik, de Heer, het aan velen in een visioen, maar sluit het terstond weer;
  48 daarom, het einde, de breedte, de hoogte, de adiepte en de ellende ervan begrijpen zij niet, noch enig mens, behalve zij die tot deze bveroordeling zijn cverordonneerd.
  49 En wij hoorden de stem, zeggende: Schrijf het visioen op, want zie, dit is het einde van het visioen van het lijden der onrechtvaardigen.
  50 En wederom getuigen wij — want wij zagen en hoorden, en dit is het agetuigenis van het evangelie van Christus aangaande hen die tevoorschijn zullen komen in de bopstanding der rechtvaardigen —
  51 het zijn zij die het getuigenis van Jezus hebben ontvangen, en in zijn naam hebben ageloofd, en zich hebben laten bdopen naar de cwijze van zijn begrafenis, doordat zij in het water zijn dbegraven in zijn naam, en wel volgens het gebod dat Hij heeft gegeven —
  52 opdat zij, door de geboden te onderhouden, konden worden agewassen en bgereinigd van al hun zonden, en de Heilige Geest konden ontvangen door de chandoplegging van hem die tot die dmacht is egeordend en verzegeld;
  53 en die overwinnen door geloof, en worden averzegeld door de bHeilige Geest der belofte, die de Vader uitstort op allen die rechtvaardig en getrouw zijn.
  54 Zij zijn het die de kerk van de aEerstgeborene vormen.
  55 Zij zijn het in wier handen de Vader aalle dingen gegeven heeft —
  56 zij zijn het die apriester en koning zijn, die van zijn volheid en van zijn heerlijkheid hebben ontvangen;
  57 en apriesters zijn van de Allerhoogste, naar de orde van Melchizedek, die naar de orde van bHenoch was, die naar de corde van de eniggeboren Zoon was.
  58 Daarom, zoals er geschreven staat: zij zijn agoden, ja, de bzonen van cGod
  59 daarom, aalle dingen zijn van hen, hetzij leven of dood, of tegenwoordige dingen, of toekomende dingen, ze zijn alle van hen, en zij zijn van Christus, en Christus is van God.
  60 En zij zullen alle dingen aoverwinnen.
  61 Welnu, laat niemand in de mens aroemen, maar laat hij liever in God broemen, die alle vijanden onder zijn voeten zal cleggen.
  62 Dezen zullen in de ategenwoordigheid van God en zijn Christus bwonen voor eeuwig en altijd.
  63 aDezen zijn het die Hij met Zich mee zal brengen, wanneer Hij bop de wolken des hemels komt om op aarde over zijn volk te cregeren.
  64 Dezen zijn het die deel zullen hebben aan de aeerste opstanding.
  65 Dezen zijn het die tevoorschijn zullen komen in de aopstanding der rechtvaardigen.
  66 Dezen zijn het die tot de aberg bZion zijn gekomen, en tot de stad van de levende God, de hemelse plaats, de allerheiligste.
  67 Dezen zijn het die genaderd zijn tot een ontelbare menigte engelen, tot de algemene samenkomst en kerk van aHenoch, en van de bEerstgeborene.
  68 Dezen zijn het wier naam aingeschreven is in de hemelen, waar God en Christus brechter over allen zijn.
  69 Dezen zijn het die arechtvaardige mensen zijn, tot bvolmaking gekomen door Jezus, de Middelaar van het nieuwe cverbond, die deze volmaakte dverzoening tot stand heeft gebracht door het vergieten van zijn eigen ebloed.
  70 Dezen zijn van wie het lichaam acelestiaal is, van wie de bheerlijkheid die van de czon is, ja, de heerlijkheid van God, de hoogste van allen, van wiens heerlijkheid geschreven staat dat de zon aan het uitspansel daarvoor typerend is.
  71 En voorts zagen wij de aterrestriale wereld, en zie, ja, zie, dezen zijn het die van het terrestriale zijn, van wie de heerlijkheid verschilt van die van de kerk van de Eerstgeborene, waarvan de leden de volheid van de Vader hebben ontvangen, ja, zoals de bmaan verschilt van de zon aan het uitspansel.
  72 Zie, dezen zijn het die zijn gestorven azonder bwet;
  73 en ook zij die de ageesten van de mensen zijn die in de bgevangenis zijn gehouden, die de Zoon heeft bezocht en tot wie Hij het cevangelie heeft dgepredikt, opdat zij kunnen worden geoordeeld als mensen in het vlees;
  74 die het agetuigenis van Jezus niet in het vlees hebben ontvangen, maar het later hebben ontvangen.
  75 Dezen zijn het die de eerzamen van de aarde zijn, die door de listigheid der mensen werden verblind.
  76 Dezen zijn het die van zijn heerlijkheid ontvangen, maar niet van zijn volheid.
  77 Dezen zijn het die van de tegenwoordigheid van de Zoon ontvangen, maar niet van de volheid van de Vader.
  78 Daarom, het zijn terrestriale alichamen, en geen celestiale lichamen, en zij verschillen in heerlijkheid zoals de maan verschilt van de zon.
  79 Dezen zijn het die niet akloekmoedig zijn in het getuigenis van Jezus; daarom verwerven zij niet de kroon in het koninkrijk van onze God.
  80 En dit nu is het einde van het visioen dat wij zagen van het terrestriale, dat de Heer ons gebood op te schrijven terwijl wij nog in de Geest waren.
  81 En voorts zagen wij de heerlijkheid van het atelestiale, welke heerlijkheid die van een lagere orde is, zoals de heerlijkheid van de sterren verschilt van de heerlijkheid van de maan aan het uitspansel.
  82 Dezen zijn het die het evangelie van Christus niet hebben ontvangen, noch het agetuigenis van Jezus.
  83 Dezen zijn het die de Heilige Geest niet verloochenen.
  84 Dezen zijn het die worden neergeworpen in de ahel.
  85 Dezen zijn het die niet van de aduivel zullen worden verlost tot de blaatste opstanding, tot de Heer, ja, Christus, het cLam, zijn werk zal hebben voleindigd.
  86 Dezen zijn het die in de eeuwige wereld niet van zijn volheid ontvangen, maar van de Heilige Geest door de bediening van de terrestrialen;
  87 en de terrestrialen door de abediening van de celestialen.
  88 En ook de telestialen ontvangen die door de bediening van de engelen die zijn aangewezen om hen te dienen, of die zijn aangewezen om dienende geesten voor hen te zijn; want zij zullen erfgenaam van het heil zijn.
  89 En aldus zagen wij, in het hemelse visioen, de heerlijkheid van het telestiale, die alle begrip te boven gaat;
  90 en geen mens kent die, behalve hij aan wie God die heeft geopenbaard.
  91 En aldus zagen wij de heerlijkheid van het terrestriale, die in alle dingen de heerlijkheid van het telestiale overtreft, ja, in heerlijkheid en in macht en in kracht en in heerschappij.
  92 En aldus zagen wij de heerlijkheid van het celestiale, die alles overtreft — waar God, ja, de Vader, op zijn troon regeert voor eeuwig en altijd;
  93 voor wiens troon alle dingen zich in ootmoedige aeerbied buigen en Hem eer geven voor eeuwig en altijd.
  94 Zij die in zijn ategenwoordigheid wonen, vormen de kerk van de bEerstgeborene; en zij zien zoals zij worden gezien, en ckennen zoals zij worden gekend, want zij hebben van zijn volheid en van zijn dgenade ontvangen;
  95 en Hij maakt hen agelijk in macht en in kracht en in heerschappij.
  96 En de heerlijkheid van het celestiale is er een, zoals de heerlijkheid van de azon er een is.
  97 En de heerlijkheid van het terrestriale is er een, zoals de heerlijkheid van de maan er een is.
  98 En de heerlijkheid van het telestiale is er een, zoals de heerlijkheid van de sterren er een is; want zoals de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster, zo verschilt de een van de ander in heerlijkheid in de telestiale wereld;
  99 want dezen zijn het die van aPaulus zijn, en van Apollos, en van Kefas.
  100 Dezen zijn het die zeggen dat sommigen van hen van de een zijn en sommigen van de ander — sommigen van Christus en sommigen van Johannes en sommigen van Mozes en sommigen van Elias en sommigen van Esajas en sommigen van Jesaja en sommigen van Henoch;
  101 maar zij hebben het evangelie niet ontvangen, noch het getuigenis van Jezus, noch de profeten, noch het aeeuwigdurend verbond.
  102 En ten laatste: al dezen zijn het die niet met de heiligen zullen worden vergaderd, om tot de akerk van de Eerstgeborene te worden bopgenomen, en in de wolk te worden ontvangen.
  103 aDezen zijn het die bleugenaars zijn, en tovenaars en coverspeligen en hoereerders en allen die de leugen liefhebben en doen.
  104 Dezen zijn het die de averbolgenheid Gods op aarde ondergaan.
  105 Dezen zijn het die de astraf van het eeuwige vuur ondergaan.
  106 Dezen zijn het die worden neergeworpen in de ahel en de verbolgenheid van de balmachtige God condergaan tot de dvolheid der tijden, wanneer Christus alle vijanden onder zijn voeten zal hebben egelegd en zijn werk zal hebben fvervolmaakt;
  107 wanneer Hij het koninkrijk zal overdragen en het de Vader vlekkeloos zal aanbieden, zeggende: Ik heb overwonnen en de awijnpers alleen bgetreden, ja, de wijnpers van de brandende verbolgenheid van de almachtige God.
  108 Dan zal Hij worden gekroond met de kroon van zijn heerlijkheid, om te zitten op de atroon van zijn macht om voor eeuwig en altijd te regeren.
  109 Maar zie, ja, zie, wij zagen de heerlijkheid en de bewoners van de telestiale wereld, dat zij even ontelbaar waren als de sterren aan het uitspansel des hemels, of als het zand aan de oever der zee;
  110 en wij hoorden de stem des Heren, zeggende: Al dezen zullen de knie buigen en iedere tong zal abelijden aan Hem die voor eeuwig en altijd op de troon gezeten is;
  111 want zij zullen geoordeeld worden naar hun werken, en ieder mens zal, naar zijn eigen awerken, zijn eigen heerschappij ontvangen, in de bwoningen die zijn bereid;
  112 en zij zullen dienstknechten van de Allerhoogste zijn; maar awaar God en Christus bwonen, kunnen zij niet komen, van eeuwigheid tot eeuwigheid.
  113 Dit is het einde van het visioen dat wij zagen, dat ons geboden werd op te schrijven terwijl wij nog in de Geest waren.
  114 Maar agroot en wonderlijk zijn de werken des Heren, en de bverborgenheden van zijn koninkrijk die Hij ons toonde, die in heerlijkheid en in kracht en in heerschappij alle begrip te boven gaan;
  115 die Hij ons, terwijl wij nog vervuld waren van de Geest, gebood niet op te schrijven, en die het de mens niet ageoorloofd is uit te spreken;
  116 noch is de mens ain staat die bekend te maken, want zij kunnen alleen worden gezien en bbegrepen door de macht van de Heilige Geest, die God schenkt aan degenen die Hem liefhebben en zich voor Hem reinigen;
  117 aan wie Hij dat voorrecht schenkt om voor zichzelf te zien en te weten;
  118 opdat zij in staat zullen zijn, door de macht en manifestatie van de Geest, in het vlees zijn tegenwoordigheid in de wereld van heerlijkheid te verdragen.
  119 En God en het Lam mogen heerlijkheid en eer en heerschappij voor eeuwig en altijd toekomen. Amen.