De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
De
Leer en Verbonden
AFDELING 88
Openbaring gegeven bij monde van de profeet Joseph Smith op 27 december 1832 te Kirtland (Ohio). (History of the Church, 1:302–312.) De profeet duidde deze aan als het ‘olijfblad (...) geplukt van de boom in het paradijs, de vredesboodschap van de Heer aan ons’. (History of the Church, 1:316.) Uit de historische verslagen blijkt dat gedeelten van deze openbaring werden ontvangen op 27 en 28 december 1832, en op 3 januari 1833.
1–5: trouwe heiligen ontvangen die Trooster die de belofte van het eeuwige leven is; 6–13: alle dingen worden beheerst en bestuurd door het licht van Christus; 14–16: de opstanding is het gevolg van de verlossing; 17–31: gehoorzaamheid aan de celestiale, terrestriale of telestiale wet bereidt de mens voor op die respectievelijke koninkrijken en heerlijkheden; 32–35: wie in de zonde willen verblijven, blijven vuil; 36–41: alle koninkrijken worden door wetten bestuurd; 42–45: God heeft aan alle dingen een wet gegeven; 46–50: de mens zal zelfs God begrijpen; 51–61: de gelijkenis van de man die zijn knechten naar de akker zond en ze om beurten bezocht; 62–73: nadert tot de Heer en gij zult zijn gelaat zien; 74–80: heiligt uzelf en leert elkaar de leringen van het koninkrijk; 81–85: eenieder die gewaarschuwd is, moet zijn naaste waarschuwen; 86–94: tekenen, beroeringen der elementen en engelen bereiden de weg voor de komst des Heren; 95–102: bazuingeschal van engelen roept de doden tevoorschijn in de juiste volgorde; 103–116: bazuingeschal van engelen verkondigt de herstelling van het evangelie, de val van Babylon en de strijd van de grote God; 117–126: vergaart kennis, vestigt een huis van God (een tempel), en bekleedt u met de band der naastenliefde; 127–141: de orde van de school der profeten uiteengezet, met inbegrip van de verordening der voetwassing.
  1 VOORWAAR, aldus zegt de Heer tot u die bijeengekomen bent om zijn wil aangaande u te ontvangen:
  2 Zie, dat is uw Heer welgevallig, en de engelen averheugen zich over u; de baalmoezen van uw gebeden zijn tot in de oren van de Here cSebaot opgestegen en staan opgetekend in het dboek met de namen van de geheiligden, ja, van hen van de celestiale wereld.
  3 Welnu, een andere aTrooster doe Ik nu op u komen, ja, op u, mijn vrienden, opdat die in uw hart zal wonen, ja, de bHeilige Geest der belofte; welke andere Trooster degene is die Ik mijn discipelen beloofd heb, zoals opgetekend staat in het getuigenis van Johannes.
  4 Deze Trooster is de belofte die Ik u geef van het aeeuwige leven, ja, de bheerlijkheid van het celestiale koninkrijk;
  5 welke heerlijkheid die van de kerk van de aEerstgeborene is, ja, van God, de heiligste van allen, door Jezus Christus, zijn Zoon —
  6 aHij die is opgevaren naar den hoge, zoals Hij ook onder alle dingen is bneergedaald, waardoor Hij alle dingen cdoorgrondde, opdat Hij in alle en door alle dingen zou kunnen zijn, het dlicht der waarheid;
  7 welke waarheid schijnt. Dat is het alicht van Christus. Zoals Hij ook in de zon is en het licht der zon en de macht daarvan, waardoor zij is bgemaakt.
  8 Zoals Hij ook in de maan is en het licht der maan is en de macht daarvan, waardoor zij werd gemaakt;
  9 zoals ook het licht der sterren en de macht daarvan, waardoor ze zijn gemaakt;
  10 en ook de aarde en de macht daarvan, ja, de aarde waarop u astaat.
  11 En het licht dat schijnt, dat u licht geeft, is uit Hem die uw ogen verlicht, hetgeen hetzelfde licht is dat uw averstand verlevendigt;
  12 welk alicht uitgaat van de tegenwoordigheid Gods om de uitgestrektheid der ruimte te bvervullen
  13 het licht dat in aalle dingen is, dat bleven geeft aan alle dingen, dat de cwet is waardoor alle dingen worden bestuurd, ja, de macht van God, die op zijn troon zit, die Zich in de schoot der eeuwigheid bevindt, die in het midden van alle dingen is.
  14 Welnu, voorwaar, Ik zeg u dat door de averlossing die voor u is bereid, de opstanding uit de doden is teweeggebracht.
  15 En de ageest en het blichaam zijn de cziel van de mens.
  16 En de aopstanding uit de doden is de verlossing der ziel.
  17 En de verlossing der ziel is door Hem die alle dingen levend maakt, in wiens boezem het besloten is, dat de aarmen en de bzachtmoedigen der caarde haar zullen beërven.
  18 Daarom moet zij noodzakelijkerwijs worden geheiligd van alle ongerechtigheid, opdat zij zal worden voorbereid op de acelestiale heerlijkheid;
  19 want, nadat zij aan het doel van haar schepping heeft beantwoord, zal zij met aheerlijkheid worden gekroond, ja, met de tegenwoordigheid van God de Vader;
  20 opdat de lichamen die tot het celestiale koninkrijk behoren, haar voor eeuwig en altijd zullen abezitten; want met dat bdoel is zij gemaakt en geschapen, en met dat doel worden zij cgeheiligd.
  21 En wie niet worden geheiligd door de wet die Ik u heb gegeven, ja, de wet van Christus, moeten een ander koninkrijk beërven, ja, een terrestriaal koninkrijk of een telestiaal koninkrijk.
  22 Want wie niet in staat is zich aan de awet van een celestiaal koninkrijk te houden, kan geen celestiale heerlijkheid verdragen.
  23 En wie niet in staat is zich aan de wet van een terrestriaal koninkrijk te houden, kan geen aterrestriale heerlijkheid verdragen.
  24 En wie niet in staat is zich aan de wet van een telestiaal koninkrijk te houden, kan geen atelestiale heerlijkheid verdragen; daarom is hij niet geschikt voor een koninkrijk van heerlijkheid. Daarom moet hij zich schikken naar een koninkrijk dat geen koninkrijk van heerlijkheid is.
  25 En voorts, voorwaar, Ik zeg u: De aaarde houdt zich aan de wet van een celestiaal koninkrijk, want zij beantwoordt aan het doel van haar schepping, en overtreedt de wet niet —
  26 daarom zal zij ageheiligd worden; ja, hoewel zij zal bsterven, zal zij weer levend worden gemaakt, en zij zal de macht waardoor zij levend wordt gemaakt kunnen verdragen, en de crechtvaardigen zullen haar dbeërven.
  27 Want hoewel zij sterven, zullen ook zij aherrijzen, als een bgeestelijk lichaam.
  28 Wie celestiaal van geest zijn, zullen hetzelfde lichaam ontvangen dat een natuurlijk lichaam was; ja, gij zult uw lichaam ontvangen, en uw aheerlijkheid zal die heerlijkheid zijn waarmee uw lichaam blevend wordt gemaakt.
  29 Gij die levend wordt gemaakt door een gedeelte der acelestiale bheerlijkheid, zult dan daarvan ontvangen, ja, een volheid.
  30 En wie levend worden gemaakt door een gedeelte der aterrestriale heerlijkheid, zullen dan daarvan ontvangen, ja, een volheid.
  31 En ook wie levend worden gemaakt door een gedeelte der atelestiale heerlijkheid, zullen dan daarvan ontvangen, ja, een volheid.
  32 En wie overblijven, zullen ook alevend worden gemaakt; maar zij zullen naar hun eigen plaats terugkeren, om datgene te genieten wat zij bbereid zijn te ontvangen, daar zij niet bereid waren datgene te genieten wat zij hadden kunnen ontvangen.
  33 Want wat baat het een mens indien hem een geschenk wordt gegeven en hij het geschenk niet aanneemt? Zie, hij verheugt zich niet in hetgeen hem wordt gegeven, evenmin verheugt hij zich in hem die de gever is van het geschenk.
  34 En voorts, voorwaar, Ik zeg u: Hetgeen door de wet wordt bestuurd, wordt ook door de wet bewaard en door haar vervolmaakt en ageheiligd.
  35 Hetgeen een wet aschendt en zich niet aan de wet houdt, maar zichzelf tot wet wil worden, en in de zonde wil verblijven, en er geheel in verblijft, kan niet door de wet worden geheiligd, noch door bbarmhartigheid, cgerechtigheid, of het oordeel. Daarom moeten zij nog dvuil blijven.
  36 Alle koninkrijken is een wet gegeven;
  37 en er zijn vele akoninkrijken; want er is geen ruimte waarin zich geen koninkrijk bevindt; en er is geen koninkrijk waarin zich geen ruimte bevindt, hetzij een groter, hetzij een kleiner koninkrijk.
  38 En ieder koninkrijk is een awet gegeven; en aan iedere wet zijn ook bepaalde grenzen en voorwaarden gesteld.
  39 Alle schepsels die zich niet aan die avoorwaarden houden, zijn niet bgerechtvaardigd.
  40 Want aintelligentie hecht zich aan intelligentie; bwijsheid ontvangt wijsheid; cwaarheid omhelst waarheid; ddeugd bemint deugd; elicht hecht zich aan licht; barmhartigheid fontfermt zich over barmhartigheid en maakt aanspraak op het hare; gerechtigheid vervolgt haar baan en maakt aanspraak op het hare; recht gaat uit voor het aangezicht van Hem die op de troon zit en alle dingen bestuurt en verricht.
  41 Hij adoorgrondt alle dingen, en alle dingen zijn voor zijn aangezicht, en alle dingen zijn rondom Hem; en Hij is boven alle dingen en in alle dingen en is door alle dingen en rondom alle dingen; en alle dingen zijn door Hem en uit Hem, ja, God, voor eeuwig en altijd.
  42 En voorts, voorwaar, Ik zeg u: Hij heeft alle dingen een wet gegeven, waardoor zij zich bewegen volgens hun atijden en hun seizoenen;
  43 En hun banen zijn vastgesteld, namelijk de banen van de hemelen en de aarde, die de aarde en alle planeten omvatten.
  44 En zij geven elkaar alicht in hun tijden en in hun seizoenen, in hun minuten, in hun uren, in hun dagen, in hun weken, in hun maanden, in hun jaren — al deze zijn béén jaar voor God, maar niet voor de mens.
  45 De aarde rolt op haar vleugels voort, en de azon geeft haar licht bij dag en de maan geeft haar licht bij nacht en de sterren geven ook hun licht, terwijl zij in hun heerlijkheid op hun vleugels voortrollen, te midden van de bmacht van God.
  46 Waarmee zal Ik die koninkrijken vergelijken, zodat gij het kunt begrijpen?
  47 Zie, alle zijn het koninkrijken, en wie ook één of de geringste daarvan heeft gezien, heeft God Zich azien bewegen in zijn majesteit en macht.
  48 Ik zeg u: Hij heeft Hem gezien; niettemin werd Hij die tot de azijnen kwam, niet begrepen.
  49 Het alicht schijnt in de duisternis en de duisternis begrijpt het niet; niettemin zal de dag komen dat u zelfs God zult bdoorgronden, omdat u in Hem en door Hem levend wordt gemaakt.
  50 Dan zult gij weten dat gij Mij hebt gezien, dat Ik ben, en dat Ik het ware licht ben dat in u is, en dat u in Mij bent; anders zoudt gij niet overvloedig kunnen zijn.
  51 Zie, Ik zal die koninkrijken vergelijken met een man met een akker, en hij zond zijn knechten naar de akker om de akker om te spitten.
  52 En hij zeide tot de eerste: Ga heen en werk op de akker, en in het eerste uur zal ik tot u komen, en gij zult de vreugde van mijn gelaat aanschouwen.
  53 En hij zeide tot de tweede: Ga ook heen naar de akker, en in het tweede uur zal ik u bezoeken met de vreugde van mijn gelaat.
  54 En ook tot de derde, zeggende: Ik zal u bezoeken;
  55 en tot de vierde, en zo verder tot de twaalfde.
  56 En de heer van de akker begaf zich naar de eerste in het eerste uur, en bleef dat gehele uur bij hem, en hij werd verblijd met het licht van het gelaat van zijn heer.
  57 En toen onttrok hij zich aan de eerste, opdat hij ook de tweede zou kunnen bezoeken, en de derde en de vierde, en zo verder tot de twaalfde.
  58 En aldus ontvingen zij allen het licht van het gelaat van hun heer, eenieder in zijn uur, en in zijn tijd, en in zijn seizoen —
  59 beginnende bij de eerste en zo verder tot de alaatste, en van de laatste tot de eerste, en van de eerste tot de laatste;
  60 eenieder op zijn beurt, totdat zijn uur ten einde was, ja, zoals zijn heer hem geboden had, opdat zijn heer in hem kon worden verheerlijkt, en hij in zijn heer, opdat zij allen konden worden verheerlijkt.
  61 Welnu, met deze gelijkenis zal Ik al die koninkrijken, en de abewoners daarvan, vergelijken — ieder koninkrijk in zijn uur en in zijn tijd en in zijn seizoen, ja, volgens het besluit dat God genomen heeft.
  62 En voorts, voorwaar, Ik zeg u, mijn avrienden: Ik laat u deze woorden om ze in uw hart te boverwegen, tezamen met dit gebod dat Ik u geef, dat gij Mij zult caanroepen terwijl Ik nabij ben —
  63 anadert tot Mij en Ik zal tot u naderen; bzoekt Mij naarstig en gij zult Mij cvinden; vraagt en gij zult ontvangen; klopt en u zal worden opengedaan.
  64 Wat gij de Vader ook in mijn naam avraagt, dat bnuttig voor u is, het zal u gegeven worden;
  65 en indien gij iets vraagt wat niet anuttig voor u is, zal het zich tot uw bveroordeling keren.
  66 Zie, hetgeen u hoort, is als de astem van een roepende in de woestijn — in de woestijn, omdat u hem niet kunt zien — mijn stem, omdat mijn stem bGeest is; mijn Geest is waarheid; cwaarheid blijft en heeft geen einde; en indien zij in u is, zal zij overvloedig zijn.
  67 En indien uw oog aalleen op mijn beer is gericht, zal uw gehele lichaam met licht vervuld zijn en zal er in u geen duisternis zijn; en het lichaam dat met licht is vervuld, cdoorgrondt alle dingen.
  68 Daarom, aheiligt u, opdat uw bgedachten zich alleen op God zullen richten en de dagen zullen komen dat u Hem zult czien; want Hij zal zijn gelaat voor u ontsluieren, en het zal op zijn eigen tijd zijn, en op zijn eigen wijze en naar zijn eigen wil.
  69 Denkt aan de grote en laatste belofte die Ik u heb gedaan; werpt uw aijdele gedachten en uw buitensporig bgelach verre van u.
  70 Blijft, blijft in deze plaats en belegt een plechtige samenkomst, ja, van hen die de eerste arbeiders in dit laatste koninkrijk zijn.
  71 En laten degenen die zij hebben agewaarschuwd tijdens hun reizen, de Heer aanroepen en de waarschuwing die zij hebben ontvangen enige tijd in hun hart overwegen.
  72 Zie, ja, zie, Ik zal voor uw kudden zorgen, en Ik zal ouderlingen doen opstaan en tot hen zenden.
  73 Zie, Ik zal mijn werk te zijner tijd bespoedigen.
  74 En Ik geef u, die de eerste aarbeiders in dit laatste koninkrijk bent, een gebod om bijeen te komen en u te organiseren en u voor te bereiden en u te bheiligen; ja, zuivert uw hart en creinigt uw handen en uw voeten voor mijn aangezicht, opdat Ik u drein zal kunnen maken;
  75 opdat Ik zal kunnen getuigen tot uw aVader en uw God en mijn God, dat u rein bent van het bloed van dit goddeloos geslacht; opdat Ik deze belofte, deze grote en laatste belofte die Ik u heb gedaan, zal kunnen nakomen, wanneer Ik wil.
  76 Ook geef Ik u een gebod dat gij van nu af aan zult doorgaan met abidden en bvasten.
  77 En Ik geef u een gebod dat u elkaar in de aleer van het koninkrijk zult bonderwijzen.
  78 Onderwijst ijverig en mijn agenade zal met u zijn, opdat u volmaakter kunt worden bonderricht in de theorie, in de beginselen, in de leer, in de wet van het evangelie, in alle dingen die met het koninkrijk van God te maken hebben, die nuttig voor u zijn om te begrijpen;
  79 aangaande dingen zowel in de ahemel als op de aarde en onder de aarde; dingen die geweest zijn, dingen die nu zijn, dingen die binnenkort moeten geschieden; dingen die binnenslands zijn, dingen die buitenslands zijn; de boorlogen en de verwikkelingen van de natiën, en de oordelen die op het land rusten; en ook kennis van landen en van koninkrijken —
  80 opdat gij in alle dingen voorbereid zult zijn wanneer Ik u wederom uitzend om de roeping waartoe Ik u heb geroepen en de zending die Ik u heb opgedragen, groot te maken.
  81 Zie, Ik heb u uitgezonden om te agetuigen en de mensen te waarschuwen, en het betaamt eenieder die gewaarschuwd is zijn naaste te bwaarschuwen.
  82 Daarom blijven zij zonder verontschuldiging en hun zonden rusten op hun eigen hoofd.
  83 Wie Mij atijdig bzoekt, zal Mij vinden en zal niet worden verlaten.
  84 Welnu, blijft hier en arbeidt ijverig, opdat u zult worden vervolmaakt in uw bediening om voor de laatste maal uit te gaan onder de aandere volken, zovelen als de mond des Heren bepalen zal, om de wet toe te bbinden en het getuigenis te verzegelen, en de heiligen voor te bereiden op het uur des oordeels dat komen zal;
  85 opdat hun ziel zal ontkomen aan de verbolgenheid Gods, de averwoesting van de gruwel die de goddelozen wacht, zowel in deze wereld als in de toekomende wereld. Voorwaar, Ik zeg u: Laten zij die niet de eerste ouderlingen zijn, in de wijngaard voortgaan totdat de mond des Heren hen broept, want hun tijd is nog niet gekomen; hun klederen zijn niet crein van het bloed van dit geslacht.
  86 Blijft in de avrijheid waarmee gij zijt bvrijgemaakt; cverstrikt u niet in de dzonde, maar laat uw handen erein zijn totdat de Heer komt.
  87 Want niet vele dagen na deze zal de aaarde bbeven en heen en weer waggelen als een dronken man; en de czon zal haar aangezicht verbergen en zal weigeren licht te geven; en de maan zal gebaad zijn in dbloed; en de esterren zullen buitengewoon toornig worden en zich neerwerpen zoals een vijg die van een vijgenboom valt.
  88 En na uw getuigenis komen verbolgenheid en gramschap op de mensen.
  89 Want na uw getuigenis komt het getuigenis van de aaardbevingen, die gekreun in haar binnenste zullen veroorzaken, en de mensen zullen op de grond vallen en niet kunnen staan.
  90 En ook komt het getuigenis van de astem der donderslagen en de stem der bliksemschichten en de stem der orkanen en de stem van de golven der zee die zich buiten hun grenzen storten.
  91 En alle dingen zullen in aberoering zijn; en stellig zal het hart der mensen het begeven, want alle mensen zullen door vrees bevangen worden.
  92 En er zullen aengelen in het midden des hemels vliegen, roepende met luide stem, die de bazuin van God laten schallen, zeggende: Bereidt u voor, bereidt u voor, o gij bewoners der aarde, want het oordeel van onze God is gekomen. Zie, ja, zie, de bBruidegom komt; gaat uit Hem tegemoet.
  93 En er zal onmiddellijk een agroot teken aan de hemel verschijnen en alle mensen zullen het tezamen zien.
  94 En een andere engel zal zijn bazuin laten schallen, zeggende: Die agrote bkerk, de cmoeder der gruwelen, die alle natiën heeft doen drinken van de wijn van de drift van haar dontucht, die de heiligen Gods vervolgt, die hun bloed vergoot — zij die zit op vele wateren en op de eilanden der zee — zie, zij is het eonkruid der aarde; zij wordt in bundels gebonden; haar banden worden sterk gemaakt, niemand kan ze losmaken; daarom is zij klaar om te worden fverbrand. En hij zal zijn bazuin zowel lang als luid laten schallen, en alle volken zullen het horen.
  95 En er zal een half uur lang astilte in de hemel zijn; en onmiddellijk daarna zal de voorhang des hemels worden ontrold, zoals een bboekrol die wordt ontrold na te zijn opgerold, en het caangezicht des Heren zal worden ontsluierd;
  96 en de heiligen die op aarde zijn, die leven, zullen worden veranderd en worden aopgenomen om Hem tegemoet te gaan.
  97 En wie geslapen hebben in hun graf zullen atevoorschijn komen, want hun graf zal geopend worden; en ook zij zullen worden opgenomen om Hem tegemoet te gaan te midden van de zuil des hemels —
  98 zij zijn van Christus, de aeerstelingen, zij die met Hem het eerst zullen neerdalen, en zij die op de aarde en in hun graf zijn, die het eerst worden opgenomen om Hem te ontmoeten; en dit alles door het geluid van het geschal der bazuin van de engel Gods.
  99 En daarna zal een andere engel schallen, hetgeen de tweede bazuin is; en dan komt de verlossing van hen die van Christus zijn bij zijn komst; die hun deel hebben ontvangen in die agevangenis die voor hen is bereid, opdat zij het evangelie konden aannemen en worden bgeoordeeld naar de mens in het vlees.
  100 En voorts, nog een bazuin zal schallen, hetgeen de derde bazuin is; en dan komen de ageesten van de mensen die moeten worden geoordeeld en onder bveroordeling worden bevonden;
  101 en dat zijn de overigen der adoden; en zij leven niet wederom voordat de bduizend jaar verstreken zijn, noch vóór het einde der aarde.
  102 En er zal nog een bazuin schallen, hetgeen de vierde bazuin is, zeggende: Er worden onder hen die moeten blijven tot die grote en laatste dag, ja, het einde, diegenen bevonden die nog steeds avuil zullen blijven.
  103 En er zal nog een bazuin schallen, hetgeen de vijfde bazuin is, die de vijfde engel is, die het aeeuwigdurende evangelie — vliegende in het midden des hemels — toevertrouwt aan alle natiën, geslachten, talen en volken;
  104 en dit zal het geschal van zijn bazuin zijn, zeggende tot alle mensen, zowel in de hemel als op de aarde, en die onder de aarde zijn — want aieder oor zal het horen en iedere knie zal zich bbuigen, en iedere tong zal belijden, wanneer zij het geschal van de bazuin horen, zeggende: cVreest God en geeft eer aan Hem die op de troon zit, voor eeuwig en altijd; want het uur van zijn oordeel is gekomen.
  105 En voorts, nog een engel zal zijn bazuin laten schallen, die de zesde engel is, zeggende: Zij die alle natiën heeft doen drinken van de wijn van de drift van haar ontucht, is agevallen; zij is gevallen, gevallen!
  106 En voorts, nog een engel zal zijn bazuin laten schallen, die de zevende engel is, zeggende: Het is volbracht; het is volbracht! Het aLam Gods heeft boverwonnen en de wijnpers alleen cgetreden, ja, de wijnpers van de hevigheid van de verbolgenheid van de almachtige God.
  107 En dan zullen de engelen met de heerlijkheid van zijn macht worden gekroond en de aheiligen zullen met zijn bheerlijkheid worden vervuld en hun cerfdeel ontvangen en met Hem dgelijk worden gemaakt.
  108 En dan zal de eerste engel zijn bazuin wederom in de oren van alle levenden laten schallen en de geheime handelingen der mensen en de machtige werken van God in de aeerste duizend jaar bopenbaren.
  109 En dan zal de tweede engel zijn bazuin laten schallen en de geheime handelingen der mensen en de gedachten en bedoelingen van hun hart en de machtige werken van God in de tweede duizend jaar openbaren —
  110 enzovoort, totdat de zevende engel zijn bazuin zal laten schallen; en hij zal staan op het land en op de zee, en zweren in de naam van Hem die op de troon zit, dat atijd niet langer zal bestaan; en bSatan, die oude slang, die de duivel wordt genoemd, zal gebonden worden en cduizend jaar lang niet worden losgelaten.
  111 En dan zal hij voor een korte tijd worden alosgelaten, opdat hij zijn legers bijeen kan brengen.
  112 En aMichaël, de zevende engel, ja, de aartsengel, zal zijn legers bijeenbrengen, ja, de heerscharen des hemels.
  113 En de duivel zal zijn legers bijeenbrengen, ja, de heerscharen der hel, en ten strijde trekken tegen Michaël en zijn legers.
  114 En dan komt de aveldslag van de grote God; en de duivel en zijn legers zullen in hun eigen plaats worden uitgeworpen, zodat zij nooit meer macht over de heiligen zullen hebben.
  115 Want Michaël zal hun veldslagen leveren, en zal hem overwinnen die astreeft naar de troon van Hem die zit op de troon, ja, het Lam.
  116 Dat is de heerlijkheid van God en van de ageheiligden, en zij zullen de bdood nooit meer aanschouwen.
  117 Welnu, voorwaar, Ik zeg u, mijn avrienden: Beleg uw plechtige samenkomst, zoals Ik u heb geboden.
  118 En omdat niet allen geloof hebben, moet gij ijverig woorden van awijsheid zoeken en ze elkaar bleren; ja, put woorden van wijsheid uit de beste cboeken; zoekt kennis, ja, door studie en ook door geloof.
  119 Organiseert u; bereidt alle nodige dingen voor; en vestigt een ahuis, ja, een huis van gebed, een huis van vasten, een huis van geloof, een huis van leren, een huis van heerlijkheid, een huis van orde, een huis van God;
  120 opdat uw ingaan in de naam des Heren zal zijn; opdat uw uitgaan in de naam des Heren zal zijn; opdat al uw begroetingen in de naam des Heren zullen zijn, met opgeheven handen tot de Allerhoogste.
  121 Welnu, ahoudt op met al uw lichtzinnig gepraat, met alle bgelach, met al uw cwellustige verlangens, met al uw dhoogmoed en lichtzinnigheid, en met al uw goddeloze werken.
  122 Wijst onder u een leraar aan, en laten niet allen tegelijkertijd spreken; maar laat één tegelijk spreken en laten allen luisteren naar wat hij zegt, opdat wanneer allen gesproken hebben, allen door allen opgebouwd zullen zijn, en opdat eenieder een gelijke gelegenheid zal hebben.
  123 Ziet toe dat gij elkaar aliefhebt; houdt op bbegerig te zijn; leert delen met elkaar zoals het evangelie vereist.
  124 Houdt op alui te zijn; houdt op onrein te zijn; houdt op bfouten te zoeken bij elkaar; houdt op langer te slapen dan nodig is; gaat vroeg naar bed, opdat u niet vermoeid zult zijn; staat vroeg op, opdat uw lichaam en uw geest versterkt zullen worden.
  125 En bovenal: bekleedt u met de band der anaastenliefde, als met een mantel, die de band is van volmaking en bvrede.
  126 aBidt altijd, zodat gij niet zult verslappen, totdat Ik bkom. Zie, ja, zie, Ik kom spoedig en zal u tot Mij nemen. Amen.
  127 En voorts, aangaande de orde van het huis dat is bereid voor het presidium van de aschool der profeten, gesticht voor hun onderricht in alle dingen die nuttig zijn voor hen, ja, voor alle bambtsdragers van de kerk, of met andere woorden, hen die geroepen zijn tot de bediening in de kerk, beginnende met de hogepriesters, ja, tot aan de diakenen —
  128 en dit zal de orde zijn van het huis van het presidium van de school: hij die wordt aangewezen als president, of leraar, dient staande op zijn plaats te worden aangetroffen, in het huis dat voor hem zal worden bereid.
  129 Daarom zal hij als eerste in het huis van God aanwezig zijn, op een plek waar de gemeente in het huis zijn woorden goed en duidelijk zal kunnen horen, zonder luide stem.
  130 En wanneer hij het huis van God binnenkomt, want hij behoort als eerste in het huis te zijn — zie, dat is prachtig, opdat hij een voorbeeld zal zijn —
  131 laat hem een gebed aopzenden, op zijn knieën voor God, ten teken of ter gedachtenis van het eeuwigdurend verbond.
  132 En wanneer iemand binnenkomt na hem, laat de leraar dan opstaan, en met zijn handen ten hemel geheven, ja, uitgestrekt, zijn broeder of broeders begroeten met deze woorden:
  133 Zijt gij een broeder of broeders? Ik begroet u in de naam van de Here Jezus Christus, ten teken of ter gedachtenis van het eeuwigdurend verbond, in welk verbond ik u als amedelid ontvang, met een voornemen dat vast, onwrikbaar en onveranderlijk is, om uw vriend en bbroeder te zijn door de genade Gods in de banden der liefde, om naar alle geboden van God te wandelen, onberispelijk, met dankzegging, voor eeuwig en altijd. Amen.
  134 En wie deze begroeting onwaardig wordt bevonden, zal geen plaats onder u hebben, want gij zult niet dulden dat mijn huis door hem averontreinigd wordt.
  135 En wie binnenkomt en getrouw is voor mijn aangezicht, en een broeder is, of als het broeders zijn, zullen zij de president of leraar begroeten met ten hemel geheven handen, met ditzelfde gebed en verbond, of door amen te zeggen, ten teken daarvan.
  136 Zie, voorwaar, Ik zeg u: Dit is voor u een voorbeeld van een wederzijdse begroeting in het huis van God, in de school der profeten.
  137 En gij zijt geroepen dat te doen door gebed en dankzegging, zoals de Geest zal doen spreken bij al uw handelingen in het huis des Heren, in de school der profeten, opdat het een heiligdom zal worden, een tabernakel van de Heilige Geest om u aop te bouwen.
  138 En gij zult niemand uit uw midden in deze school opnemen, tenzij hij rein is van het abloed van dit geslacht;
  139 en hij zal opgenomen worden door de verordening van de avoetwassing, want daartoe is de verordening van de voetwassing ingesteld.
  140 En voorts, de verordening van de voetwassing moet worden bediend door de president of presiderende ouderling van de kerk.
  141 Deze moet worden ingeleid met gebed; en na van het brood en de wijn te hebben agenomen, moet hij zich omgorden naar het bmodel dat gegeven is in het dertiende hoofdstuk van Johannes’ getuigenis van Mij. Amen.