De Schriften      Studiemiddelen  | Zoeken  | Opties  | Gemarkeerd  | Help  | Nederlands 
Afdrukken   < Vorige  Volgende >
De
Leer en Verbonden
AFDELING 98
Openbaring gegeven bij monde van de profeet Joseph Smith op 6 augustus 1833 te Kirtland (Ohio). (History of the Church, 1:403–406.) Deze openbaring kwam naar aanleiding van de vervolging van de heiligen in Missouri. Het was begrijpelijk dat de heiligen in Missouri, die lichamelijk hadden geleden en ook eigendommen hadden verloren, neigden tot vergelding en wraak. Daarom gaf de Heer deze openbaring. Hoewel enig nieuws over de moeilijkheden in Missouri ongetwijfeld de profeet had bereikt in Kirtland (1440 kilometer daarvandaan), kon de ernst van de situatie hem op dat moment alleen maar bekend zijn geweest door middel van openbaring.
1–3: de bezoekingen van de heiligen zullen tot hun welzijn strekken; 4–8: de heiligen moeten de grondwet van het land steunen; 9–10: eerlijke, wijze en goede mannen moeten voor overheidsfuncties worden gesteund; 11–15: wie zijn leven neerlegt voor de zaak des Heren zal het eeuwige leven hebben; 16–18: verwerpt oorlog en verkondigt vrede; 19–22: de heiligen in Kirtland worden vermaand en hun wordt geboden zich te bekeren; 23–32: de Heer openbaart zijn wetten met betrekking tot de vervolging en de bezoekingen die zijn volk worden opgelegd; 33–38: oorlog is alleen gerechtvaardigd wanneer de Heer het gebiedt; 39–48: de heiligen moeten hun vijanden vergeven die, als zij zich bekeren, ook aan de wraak des Heren zullen ontkomen.
  1 VOORWAAR, Ik zeg u, mijn vrienden: aVreest niet, laat uw hart vertroost worden; ja, verblijdt u te allen tijde, en bdankt bij alles;
  2 geduldig awachtende op de Heer, want uw gebeden zijn de oren van de Here Sebaot binnengedrongen, en zijn met dit zegel en deze verklaring opgetekend — de Heer heeft gezworen en besloten dat zij verhoord zullen worden.
  3 Daarom geeft Hij u deze belofte met een onveranderlijk verbond dat zij vervuld zullen worden; en alle dingen waarmee u bent abezocht, zullen samenwerken voor uw welzijn, en voor de heerlijkheid van mijn naam, zegt de Heer.
  4 En nu, voorwaar, Ik zeg u aangaande de wetten van het land: Het is mijn wil dat mijn volk nauwgezet alle dingen doet die Ik hun gebied.
  5 En die alandswet die bgrondwettelijk is, en dat beginsel van vrijheid ondersteunt wat de handhaving van rechten en voorrechten betreft, is voor de gehele mensheid bestemd en is in mijn ogen gerechtvaardigd.
  6 Daarom, Ik, de Heer, rechtvaardig u en uw broeders van mijn kerk in de steun aan die wet, namelijk de grondwet van het land;
  7 en wat de wetgeving van de mens betreft: wat meer of minder is dan dit, komt uit het kwade.
  8 Ik, de Here God, maak u avrij, daarom zijt gij werkelijk vrij; en ook de wet maakt u vrij.
  9 Wanneer echter de agoddelozen heersen, treurt het volk.
  10 Daarom moet er ijverig naar aeerlijke mensen en wijze mensen worden gezocht, en goede mensen en wijze mensen moet gij naarstig steunen; zo niet, dan komt wat minder is dan dezen uit het kwade.
  11 En Ik geef u een gebod dat gij al het kwade zult verzaken en al het goede aankleven, dat gij zult leven naar elk awoord dat uit de mond van God uitgaat.
  12 Want Hij zal de getrouwen regel op regel, voorschrift op voorschrift ageven; en daarmee zal Ik u btoetsen en beproeven.
  13 En wie zijn leven aaflegt voor mijn zaak, omwille van mijn naam, zal het weer vinden, ja, het eeuwige leven.
  14 Daarom, weest niet abevreesd voor uw vijanden, want Ik heb in mijn hart besloten, zegt de Heer, dat Ik u in alle dingen zal bbeproeven, of u trouw zult blijven aan mijn verbond, ja, tot in de cdood, opdat u het waardig zult worden bevonden.
  15 Want indien gij mijn verbond niet trouw blijft, zijt gij Mij niet waardig.
  16 Welnu, averwerpt boorlog en verkondigt cvrede, en streeft er ijverig naar het hart der kinderen tot hun vaderen dterug te voeren, en het hart der vaderen tot de kinderen;
  17 en voorts, het hart der aJoden tot de profeten, en de profeten tot de Joden; opdat Ik niet kom en de gehele aarde met een banvloek tref, en alle vlees wordt verteerd voor mijn aangezicht.
  18 Laat uw hart niet verontrust zijn, want er zijn avele woningen in het huis van mijn Vader, en Ik heb een plaats voor u bereid; en waar mijn Vader en Ik zijn, daar zult ook gij zijn.
  19 Zie, Ik, de Heer, heb geen welbehagen in velen die in de kerkgemeente te Kirtland zijn;
  20 want zij verzaken hun zonden niet, en hun goddeloze wegen, de hoogmoed van hun hart, en hun hebzucht en al hun verfoeilijkheden, en nemen niet in acht de woorden van wijsheid en eeuwig leven die Ik hun heb gegeven.
  21 Voorwaar, Ik zeg u dat Ik, de Heer, hen zal akastijden en doen wat Mij belieft, indien zij zich niet bekeren en alle dingen in acht nemen die Ik hun heb gezegd.
  22 En voorts zeg Ik u: Indien gij nauwgezet alles adoet wat Ik u gebied, zal Ik, de Heer, alle verbolgenheid en gramschap van u afwenden, en de bpoorten der hel zullen u niet overweldigen.
  23 Welnu, Ik spreek tot u aangaande uw gezin — indien de mensen u, of uw gezin, eenmaal aslaan, en gij het geduldig verdraagt en hen niet beschimpt, noch wraak zoekt, zult gij worden beloond;
  24 maar indien gij het niet geduldig verdraagt, zal het u worden aaangerekend als een rechtvaardige maat die u is toegemeten.
  25 En voorts, indien uw vijand u de tweede keer slaat, en u uw vijand niet beschimpt en het geduldig verdraagt, zal uw loon een honderdvoud zijn.
  26 En voorts, indien hij u de derde keer slaat, en gij het ageduldig verdraagt, zal uw loon u viervoudig verdubbeld worden;
  27 en die drie getuigenissen zullen tegen uw vijand gelden indien hij zich niet bekeert, en zullen niet uitgewist worden.
  28 En nu, voorwaar, Ik zeg u: Indien die vijand aan mijn wraak ontkomt, zodat hij niet in het gericht wordt gebracht voor mijn aangezicht, dan zult gij ervoor zorgen dat gij hem in mijn naam awaarschuwt, dat hij u niet meer moet aanvallen, noch uw gezin, ja, uw kindskinderen tot in het derde en vierde geslacht.
  29 En dan, indien hij u of uw kinderen aanvalt, of uw kindskinderen tot in het derde of vierde geslacht, heb Ik uw vijand in uw handen overgeleverd;
  30 en dan, indien gij hem spaart, zult gij voor uw rechtvaardigheid worden beloond; en ook uw kinderen en uw kindskinderen tot in het derde en vierde geslacht.
  31 Niettemin is uw vijand in uw handen; en indien gij hem naar zijn werken vergeldt, zijt gij gerechtvaardigd; indien hij u naar het leven heeft gestaan en uw leven door hem wordt bedreigd, is uw vijand in uw handen en zijt gij gerechtvaardigd.
  32 Zie, dit is de wet die Ik heb gegeven aan mijn dienstknecht Nephi, en aan uw avaderen, Jozef en Jakob en Isaak en Abraham, en al mijn profeten en apostelen vanouds.
  33 En voorts, dit is de awet die Ik aan mijn ouden heb gegeven, dat zij tegen geen enkele natie, geslacht, taal of volk ten strijde mochten trekken, tenzij Ik, de Heer, het hun gebood.
  34 En als een natie, taal of volk hun de oorlog mocht verklaren, moesten zij eerst een avredesbanier voor dat volk, die natie of die taal opheffen;
  35 en indien dat volk het vredesaanbod niet aannam, en evenmin de tweede en de derde maal, moesten zij deze getuigenissen voor het aangezicht des Heren brengen;
  36 dan gaf Ik, de Heer, hun een gebod, en rechtvaardigde hen in het ten strijde trekken tegen die natie, die taal of dat volk.
  37 En Ik, de Heer, avoerde hun strijd, en de strijd van hun kinderen en hun kindskinderen, totdat zij zich gewroken hadden op al hun vijanden, tot in het derde en het vierde geslacht.
  38 Zie, dit is een voorbeeld voor alle mensen, zegt de Heer, uw God, om gerechtvaardigd te zijn voor mijn aangezicht.
  39 En voorts, voorwaar, Ik zeg u: Indien uw vijand, na u voor de eerste keer te hebben aangevallen, zich bekeert en tot u komt, smekende om uw vergeving, zult gij hem vergeven, en het niet meer als een getuigenis tegen uw vijand gedenken —
  40 en zo verder tot de tweede en de derde maal; en zo dikwijls als uw vijand zich bekeert van de overtreding waarmee hij tegen u heeft overtreden, zult gij hem avergeven, tot zeventig maal zeven keer toe.
  41 En indien hij tegen u overtreedt en zich niet bekeert de eerste maal, zult gij hem toch vergeven.
  42 En indien hij de tweede maal tegen u overtreedt, en zich niet bekeert, zult gij hem toch vergeven.
  43 En indien hij de derde maal tegen u overtreedt, en zich niet bekeert, zult gij hem ook vergeven.
  44 Maar indien hij de vierde maal tegen u overtreedt, zult gij hem niet vergeven, maar deze getuigenissen voor het aangezicht des Heren brengen; en zij zullen niet worden uitgewist voordat hij zich bekeert en u viervoudig vergoedt voor alle dingen waarmee hij tegen u heeft overtreden.
  45 En indien hij dat doet, zult gij hem vergeven met geheel uw hart; en indien hij dat niet doet, zal Ik, de Heer, u honderdvoudig op uw vijand awreken;
  46 en op zijn kinderen, en op zijn kindskinderen van allen die Mij haten, tot in het aderde en vierde geslacht.
  47 Maar indien de kinderen of de kindskinderen zich bekeren, en zich met geheel hun hart en met geheel hun macht, verstand en kracht tot de Heer, hun God, awenden, en viervoudig vergoeden voor al hun overtredingen waarmee zij hebben overtreden, of waarmee hun vaders hebben overtreden, of de vaders van hun vaders, dan zal uw gramschap worden afgewend;
  48 en er zal geen awraak meer op hen komen, zegt de Heer, uw God, en hun overtredingen zullen nimmermeer als een getuigenis tegen hen voor het aangezicht des Heren worden gebracht. Amen.